jeugdherinneringen

 


 

Veel mensen die reageren op mijn website zijn oud-Pendrechtenaren, vaak schrijven ze over belevenissen uit hun jeugdtijd. Ook in mijn weblog heb ik enkele keren herinneringen beschreven. Zodoende kwam ik op het idee om deze pagina te maken, in de hoop dat dit ook bij andere (oud-)Pendrechtenaren herinneringen aan vroeger oproept.

 

Special voor deze pagina geldt dat reacties van harte welkom zijn, klik onderaan de pagina op de e-mail button!

 

IN MEMORIAM

 

In de nacht van 25 op 26 november 2010 is mijn (tweede) vader Jaap Huisman overleden. Nadat ruim een maand eerder een ongeneeslijke ziekte was geconstateerd ging het snel achteruit en het onvermijdelijke is nu gebeurd. Ik ben verdrietig maar ook opgelucht dat hem een verdere lijdensweg bespaard is gebleven.

Mijn vader woonde al een tijdje niet meer in Pendrecht maar ondanks zijn ziekte hebben we hem nog één keer de wijk kunnen laten zien. Het was niet meer het Pendrecht zoals hij het gekend heeft zodat het voor hem een afscheid was. Op 2 december 2010 heb ik voorgoed afscheid genomen van mijn vader. Een boeket met orchideeën, zijn lievelingsbloem, hebben hem begeleid op zijn laatste reis.

 

Ter herinnering aan mijn vader heb ik in mei 2011 één van de 275 knotwilgen langs het Havenspoorpad geadopteerd, de boom staat schuin tegenover het huis waar ik ben opgegroeid. Dat de adoptiebomen langs het tracé van de voormalige havenspoorlijn staan is een aardige bijkomstigheid want mijn vader was machinist bij de Nederlandse Spoorwegen en hij heeft in zijn spoortijd ook over de havenspoorlijn gereden.

 


 

ONS HUIS IN DE WAGENBERGSTRAAT

 

Ik ben in 1959 geboren in Almelo maar begin 1962 overleed mijn biologische vader. Mijn moeder, Alice Noltus, is hertrouwd met Jaap Huisman die in Rotterdam woonde en als machinist bij het spoor werkte. Omdat overplaatsing naar het oosten van het land niet mogelijk was verhuisden we naar Rotterdam waar we een huis kregen in Pendrecht.

 

In juni 1964 kwamen we vanuit Almelo naar Pendrecht. Ons gezin bestond uit drie personen dus een eengezinswoning was niet voor ons weggelegd. We kwamen te wonen in een vierkamerflat in het achterste deel van de Wagenbergstraat op nummer 119. We woonden vlakbij de havenspoorlijn en hoe raar het ook klinkt, je wende aan het lawaai van de treinen. Zelf hoorde je het niet meer maar als oma en opa eens kwamen logeren deden ze 's nachts geen oog dicht.

 

De havenspoorlijn werd intensief bereden en het waren vaak lange treinen, getrokken door één of meer brullende diesellocomotieven. Als een trein onverhoopt moest stoppen voor een rood sein dan ging dat met een hoop gepiep en gerammel gepaard. Al snel leerde je aan het geluid de verschillende soorten locs herkennen. De 2200-en waren kenmerkend door hun zware motorgeluid terwijl de 2400-en lichtere motoren hadden met een hoger toerental. Vanaf een grote afstand kon je al horen welk type loc in aantocht was. Oorspronkelijk waren de locs bruin, de huisstijlkleuren geel en grijs kwam pas in de jaren zeventig.

Wat destijds niemand kon vermoeden gebeurde in 2004: de oude havenspoorlijn wordt buiten dienst gesteld en de route is verlegd langs de A15. Waar ooit de treinen reden is nu een breed fietspad, het Havenspoorpad. Maar het geluid van de treinen zal mij altijd bijblijven.

 

De straat waarin wij woonden was vrij kaal, toch wel opmerkelijk want Pendrecht is een wijk met veel groen. Er stonden wat bomen maar verder waren er geen plantsoenen of bloemperken. Langs de huizen was een smalle strook met kinderhoofdjes en aan weerszijden van ieder portiek stond een ijzeren hekje. De huizen in dit deel van Pendrecht waren oorspronkelijk van de Maatschappij voor Volkswoningen maar zijn in 1966 overgegaan naar OWG (Onze Woongemeenschap).

 

Aan de achterkant van onze flat was een binnentuin, bestaande uit een pleintje met een rozenperk, een paar bankjes en een grasveld. Alleen vanaf de kant van de Abbenbroekweg kon je er komen, niet ver van de straat stond een blauwgeverfd transformatorhuisje met een smal paadje er omheen. Aan de kant van de Nieuw-Vossemeerweg (nu de Raamsdonkweg) stonden goudenregens met die prachtige gele bloemtrossen, als kind heb daar vaak onder gespeeld. Aan de kant van de eengezinswoningen aan de Melissantstraat stonden vlinderstruiken met paarse staartvormige bloemen die een heerlijke geur verspreidden en waar in de zomer de vlinders op afkwamen (foto rechts). Langs de flat stonden struiken en als kind kroop ik onder de struiken door langs de kelderramen.

De inrichting van de binnentuin is in de loop der jaren nogal veranderd maar het grasveld en een transformatorhuisje zijn er nog altijd. In 2013 is het ijzeren transformatorhuisje vervangen door een nieuw en kleiner huisje van grindbeton, de foto links toont nog het oorspronkelijke huisje.

 

Een bekende verschijning in de Rotterdamse straten waren de grote witte Chevrolets waarmee de politie surveilleerde. Als je buiten speelde dan wist je van verre al dat de politie er aan kwam rijden want de C10 had een speciaal motorgeluid. De voertuigen hadden een groot zwaailicht en een schijnwerper op het dak, politie-emblemen op de zijkant en achterop een zwart paneel dat het woord STOP kon laten zien. De C10's waren imposante wagens om te zien maar hadden het grote nadeel dat ze veel benzine verbruikten. De C10 werd in 1961 geïntroduceerd bij de Rotterdamse gemeentepolitie, het laatste voertuig ging in 1986 buiten dienst.

 

Jan Pruim is heel lang wijkagent geweest in Pendrecht en was gevreesd bij de voetballende jeugd waar hij de bijnaam Pruimpie de ballenjatter had. Het voetballen op de gemeenschappelijke grasvelden was streng verboden maar het gebeurde natuurlijk toch. Als je de pech had dat Pruimpie langskwam en de voetballende jeugd zag dan werd zonder pardon de bal in beslag genomen, zo is zijn bijnaam ontstaan. In 1951 werd Jan Pruim aangenomen als wijkagent voor de Wielewaal en Pendrecht, hij is dat ruim 30 jaar lang gebleven. In de Havenloods van 8 november 2017 stond een interview met Jan Pruim, hij was toen 95 jaar en woonde in de Wielewaal.

 

Als kind speelde ik vaak buiten (hetzij op het brede trottoir voor of het grasveld achter) en vooral de lantaarnpalen intrigeerden mij. Ik had op een gegeven moment ontdekt dat een niet-brandende lantaarnpaal soms alsnog aan ging als je er een schop tegen gaf. Toen we ooit 's avonds laat van familiebezoek vanaf de Slinge naar huis liepen was het einde van de Ooltgensplaatweg in het duister gehuld. Ik liep naar de laatste paal in de straat, gaf er een trap tegen en hup, de lamp brandde. Om de hoek, de eerste paal in de Abbenbroekweg, met succes dezelfde truc. Mijn ouders stonden met open mond te kijken...

Ruim 40 jaar later, op 22 oktober 2012, heb ik 's avonds samen met ex-opbouwwerker Rieks Westrik een fietstocht van twee en een half uur door de wijk gemaakt om de straatverlichting te controleren. Toen we over de Ooltgensplaatweg reden zag ik dat de paal nabij de Abbenbroekweg niet brandde, dit was uitgerekend één van de palen die ik als kind met een trap weer liet branden. Nadat we bij de bewuste paal waren afgestapt om het nummer op te schrijven kon ik niet nalaten om de truc van toen opnieuw uit te voeren. Tot verbazing van mij en hilariteit van Rieks floepte de lamp van lantaarnpaal Ooltgensplaatweg 28 meteen aan!

 

Ons huis was op de derde etage. Het portiek was afgesloten en in iedere woning zat naast de voordeur een drukknop om de benedendeur te openen. Er was geen huistelefoon, als er gebeld werd drukte je de deur open en dan riep je in het trappenhuis "Wie is daar?". Als je door de portiekdeur naar binnen ging kwam je in een heel klein halletje met links de trap naar beneden. Achter de portiekdeur was net boven de vloer een kraan die alleen met een speciale sleutel kon worden geopend en gesloten, als je je auto wilde wassen hoefde je niet naar boven om water te tappen. De kelderruimte had betonnen wanden en was erg donker, later heeft een buurman de muren en plafonds gewit. Hij heeft toen ook een goot langs de keldertrap gemaakt zodat het gemakkelijker was om je fiets de trap op en af te krijgen.

 

Na het beklimmen van 5 trappen (in totaal 38 treden) kwam je bij de voordeur van nummer 119 die was voorzien van een rechthoekig raampje, een bakelieten deurknop en een Jowil-slot. Naast de voordeur, in het trappenhuis, was de meterkast en in de eerste jaren hing daar, enigszins verstopt om een hoekje, de reservesleutel (dat kon toen nog).

 

Het trappenhuis was licht, met betegelde muren en witgesausde plafonds. De bewoners werden geacht het trappenhuis schoon en netjes te houden, we hebben er heel wat doeken versleten want de traptreden bestonden uit ruwe steen. Als kind probeerde je zo snel mogelijk boven te komen: steeds een tree overslaan en je optrekken aan de ijzeren leuning. Helemaal bovenin zat een ontluchting die altijd een loeiend geluid produceerde als het hard waaide. Het trappenhuis en de kelder werden verlicht door gloeilampen en als er een lamp kapot was ging je naar een lampenist in de buurt om een nieuwe lamp te halen. Later zijn de peertjes vervangen door TL-buizen die minder stroom verbruikten maar wel meer licht gaven.

 

Toen ik op 24 juli 2008 door de straat liep zag ik dat de portiekdeur openstond (dat is opmerkelijk omdat de deuren drangers hebben, er lag nu een steen voor). Ik kon natuurlijk niet nalaten om even binnen te kijken en voor het eerst na vele jaren liep ik weer de trap op waar zo veel voetstappen van mij staan. Het trappenhuis is nog niet veel veranderd al ziet het er niet meer zo netjes uit. Het raampje in de voordeur is dichtgemaakt maar verder is het nog hetzelfde. Toen ik weer beneden kwam zag ik dat de goot langs de keldertrap er nog steeds is.

 

Toen wij er kwamen wonen was het huis 6 jaar oud, voor ons had de familie Verkroost er gewoond. De overige bewoners van ons portiek: op nummer 109 woonden de heer en mevrouw Stolk (de heer Stolk is al spoedig overleden), op nummer 111 de familie de Wit (Louis was politieagent en het gezin is later naar Barendrecht verhuisd), op nummer 113 (= naast ons) woonden Ans en Wim Martens (geen kinderen, Wim werkte net als mijn vader bij het spoor, later verhuisden ze naar nummer 135 en enkele jaren na het overlijden van Wim is Ans verhuisd naar IJsselmonde). Op nummer 115 woonde de familie de Jong (Wim en Corrie hadden 4 kinderen: Marja, Christine, Joke en Corrie; later zijn ze naar Hellevoetsluis verhuisd - vele jaren later ontmoette ik Wim als vrijwilliger bij de Stichting Historisch Charlois) en op nummer 117 woonde de familie Schaap (Jan werkte bij busmaatschappij Twee Provinciën, kinderen: Theo en Sonja).

Wat willekeurige namen van gezinnen uit andere portieken in onze flat: familie van Breugel (kinderen: Connie, Jan en José), familie van Groningen (kinderen: Cor en Karin), familie Tillema, familie Piels en familie Scheepbouwer. Flat aan de overkant: familie Feenstra (kinderen: Stijn en Anneke), familie Scheefers, familie Riegman (kinderen: Marja en Helma), familie Zwaal (hij was melkboer), familie Hoes (hadden een dochter Karin die in latere jaren op mijn broertje paste) en familie Blom (werkte ook bij het spoor, een dochter heet Agnes).

 

Anno nu heeft de Wagenbergstraat al veel van haar glans verloren, bijna alle toenmalige bewoners zijn inmiddels verhuisd. Door de herstructurering zal de straat een metamorfose ondergaan en het eerste resultaat is al te zien: de flats in het voorste deel zijn in mei/juni 2007 gesloopt (de foto hiernaast is genomen op 26 mei). Ik heb bijna wekelijks foto's gemaakt en natuurlijk doet het pijn om te zien hoe het vertrouwde beeld van "mijn" straat verdwijnt. Op 18 november 2009 is de officiële eerste paal geslagen voor de nieuwbouw op deze plek, bestaande uit 24 huureengezinswoningen die in juni 2010 zijn opgeleverd.

 

Ook de flats in het achterste deel, dus waar ik gewoond heb, zullen in de nabije toekomst verdwijnen maar het jaar van sloop is al meerdere keren uitgesteld. Het zal een raar idee zijn dat ooit het huis, waar ik ben opgegroeid en goede herinneringen aan bewaar, er niet meer is. Ik ga zeker proberen om, als het moment van de sloop daar is, nog één keer mijn ouderlijke huis te bezoeken.

 

In het najaar van 2013 maakt Woonstad Rotterdam bekend dat de sloop in de Wagenbergstraat en de Geertruidenbergstraat wordt uitgesteld tot 2018. Dit betekent dat de flats vanaf dat moment nog vijf jaar mee moeten en om deze periode te overbruggen kregen de blokken in november/december 2013 een opknapbeurt, vooral aan de buitenkant.

 

Het aanzien van het portiek met mijn ouderlijke huis is hierdoor wel veranderd (foto links), op de foto is de verzakking van de straat trouwens goed te zien. De portiekdeur is nu blauw (was houtkleur) en is voorzien van een schopplaat, de oranje brievenbussen zijn nu ook blauw. De lamp boven de deur is vervangen en voorzien van de huisnummers, de kelderramen zijn beveiligd met metalen roosters. Door de ramen is te zien dat de trapleuningen lichtpaars (was grijs) zijn geworden, niet ieders favoriete kleur maar over smaak valt niet te twisten. Verder zijn de raamkozijnen schoongemaakt, de kunststof kozijnen zitten er immers al bijna 30 jaar in en waren in de loop der jaren erg vuil geworden. Ook zijn de gevelplaten van de woningen aan de kant van de Raamsdonkweg schoongemaakt (foto rechts), deze waren groen uitgeslagen vanwege de bomen die er vlakbij staan.

 

In 2016 is de straat opgehoogd en opnieuw ingericht waarbij het aantal parkeerplaatsen is uitgebreid.

 

In juli 2017 heeft Woonstad Rotterdam een opmerkelijk besluit genomen: de vier flats worden toch niet gesloopt maar ingrijpend gerenoveerd! Uit een bouwkundig onderzoek is gebleken dat de fundering, de gevels en de vloeren nog in goede staat verkeren maar dat vooral de technische installaties versleten zijn. Enkele zaken aan de buitenkant die worden aangepakt: de inpandige balkons wordt bij de woning getrokken, er komt een nieuw en groter balkon voor terug, de kozijnen worden vernieuwd en de buitengevel wordt opgeknapt. De verwachting is dat eind 2020 de renovatie van de vier flats is afgerond.

 


 

Ik bezit nog het huurcontract van mijn ouderlijke huis, het is een gestencild blad waarop de gegevens met een schrijfmachine zijn ingevuld. De huur ging in per 25 juni 1964 en de huurprijs bedroeg f 17,70 per week, bij vooruitbetaling te voldoen. Bij het huurcontract was een bijlage met daarop de voorwaarden waarop de woningen in huur werden gegeven. Veel bepalingen van nu vind je er in terug, al was het taalgebruik toen wel heel anders. Enkele voorbeelden:


 

Dat we op de bovenste verdieping woonden was tijdens hete zomers goed te merken. Maar in de winter was het een koud huis: de ramen waren oorspronkelijk enkelglas, isolatie was nog een onbekend begrip en alleen in de woonkamer hadden we een gashaard. Vooral in de (toen nog strenge) winters waren ijsbloemen op de ramen heel normaal. Al vrij snel heeft mijn vader zelf centrale verwarming aangelegd wat een enorme verbetering van het woongenot betekende. Deze installatie heeft probleemloos gefunctioneerd tot 1996 toen mijn ouders het huis verlieten.

 

De houten kozijnen waren erg slecht en in 1984 besloot OWG om alle kozijnen in de flats in Pendrecht 6 te vervangen door kunststof, voorzien van dubbel glas. Dit was de eerste grootschalige toepassing van kunststof kozijnen in Pendrecht. Omdat onze flat dicht bij de havenspoorlijn stond werd er extra isolatie aangebracht. De nieuwe kozijnen waren geheel wit wat de huizen een wat "steriel" aanzien gaf. De voordeuren van de portieken werden eveneens vervangen en voortaan ging de deur niet meer vanzelf open als je boven op de deuropener drukte, daarom kwam er op iedere portiekdeur een opschrift met de tekst bij zoemtoon deur open duwen (foto).

 

De flats in dit deel van Pendrecht waren voor die tijd vrij luxueus, ze hadden o.a. een roestvast stalen aanrecht (in plaats van het gebruikelijke graniet), een aansluitpunt voor een badkamerkachel en in de ouderslaapkamer een wastafel (alleen koud water). Die wastafel hebben we er al snel uitgesloopt, jarenlang lag het ding in de kelder want in die tijd gold nog de regel dat je de woning weer in de oorspronkelijke staat moest terugbrengen als je verhuisde. De ouderslaapkamer was met een glazen wand afgescheiden van de woonkamer, later hebben we die weggebroken om de woonkamer te vergroten. Aan de achterkant was een balkon met een blauwgeverfd hek. Als kind zat ik wel eens op de rand van het balkon, de benen tussen de spijlen van het hek.

 

Mijn kamer was aan de achterkant en keek uit op de eengezinswoningen aan de Melissantstraat. Vanuit het raam kon ik de televisietoren bij de Waalhaven zien en (sinds 1971) Valckensteyn. De foto hiernaast heb ik gemaakt op 8 maart 1977. De eengezinswoningen staan in de Melissantstraat en de flat op de achtergrond is aan de Geertruidenbergstraat. De televisietoren was toen nog niet zo hoog als nu en Valckensteyn is in 2012 afgebroken.

 

De wc had het formaat van een kast, je zat nog net niet met je knieïn tegen de deur. Zoals alle Pendrechtse woningen was het kleine kamertje voorzien van een porseleinen stortbak, fabrikaat Koninklijke Sfinx, met de trekker aan de rechterkant. De stortbak was nogal luidruchtig, als de buren naar het toilet gingen was dat duidelijk hoorbaar. Ik ken verhalen van flatbewoners waar de kinderen 's nachts onder geen beding de wc mochten doortrekken!

De keuken was aan de straatkant en had het formaat van een pijpenla. De standaarduitrusting bestond uit de houten pannenrekjes, Bruynzeelkastjes en de Fasto geiser. Het aanrecht was van roestvast staal en de onderkant van de muren was betegeld. Het was een benauwde ruimte en al snel hebben we in het bovenraampje een ventilator gemonteerd.

 

Dat de keuken zo benauwd was kwam ook door de open afvoer van de geiser: de verbrandingsgassen kwamen gewoon in de keuken terecht. Levensgevaarlijk eigenlijk, als je daar nu aan terugdenkt. Onze eerste geiser had nog geen atmosfeerbeveiliging en toen op een dag mijn vader de uitgewaaide waakvlam weer aan wilde steken ging dat met een enorme knal en dito steekvlam gepaard (gelukkig zonder ernstige gevolgen). Aan de rechterkant zat een knop waarmee je de temperatuur van het water kon regelen maar tijdens strenge winters was het water bijna niet warm te krijgen. Eén keer per jaar kwam iemand van het GEB de geiser controleren en schoonmaken.

 

Een ander klein hok was de badcel (de naam "cel" zegt eigenlijk al genoeg) die zowel vanuit de gang als de hoofdslaapkamer te bereiken was. De ruimte was uiteraard voorzien van een lavet, vervaardigd bij de (in 2008 gesloten) Ocrietfabriek in Baarn. Als kind was het best een klim om er in te komen want het was ongeveer zo hoog als een aanrecht. Je kon er lekker in zitten en spelen op het plateau maar zeker in de winter ging daar wel wat aan vooraf. Eerst aan het koordje trekken van de hoog aan de muur aangebrachte straalkachel (na enige tijd gloeide de oranje spiraal) en dan het lavet vol laten lopen met warm water (dat duurde een eeuwigheid want daar was het keukengeisertje eigenlijk niet op berekend). Maar daarna kon je je prima vermaken totdat het water koud was geworden. Dan trok je de stop er uit en probeerde je een draaikolk te maken zodat het water heel langzaam wegliep, iets wat met een slurpend geluid gepaard ging. Hoe vaak heb ik niet naar die tekst rondom het afvoergat OCRIET REINIGEN MET VIM gekeken?

 

Wie dat wilde kon, tegen een kleine huurverhoging, een lavetwasmachine laten installeren en onze buren hadden zo'n ding (bedenk dat in die tijd een gewone wasmachine nog een luxe was). Als er gewassen moest worden zetten ze in het afvoergat een soort schoepenrad dat ongeveer het midden hield tussen een scheepsschroef en een vliegtuigpropeller. Die werd elektrisch heen en weer gedraaid door een motor onder het lavet, het geluid daarvan drong nogal door dus we konden altijd horen als de buren aan het wassen waren. Hiernaast is het binnenwerk van zo'n lavetwasmachine te zien, de foto heb ik gemaakt anno 2007 in de leegstaande sloopwoning Ellewoutsdijkstraat 12. Het lavet en de wasmachine zijn er uitgehaald en blijven bewaard voor het Pendrecht Museum. Klik hier voor een kort filmpje van een werkende lavetwasmachine.

 

Zelf hebben we nooit een lavetwasmachine gehad. Onze eerste wasmachine was een bovenlader en die stond in de keuken. De volgende machine, een Candy, kwam wel in de badcel te staan en hierdoor bleef er bijna geen ruimte meer over (nauwelijks voorstelbaar: later kwam er ook nog een wasdroger bovenop te staan). De wasmachineaansluiting van tegenwoordig was nog onbekend: de slang van de waterafvoer hing gewoon in het lavet en met een verlengsnoer werd het (geaarde) stopcontact in de hal bereikt.

 

De meterkast zat in het trappenhuis, naast de voordeur. Daarin zaten o.a. een ijzeren kastje met de hoofdzekering (foto links, het huidige Eneco heette toen nog Gemeente Energiebedrijf Rotterdam, afgekort GEB), de meters en de zwarte stoppenkast met schakelaars om de stroom af te sluiten. Er waren maar twee groepen en als je een elektrisch fornuis wilde moest je door het GEB een derde groep aan laten leggen. In de keuken zat een afdekplaatje waar de aansluiting gemaakt moest worden.

In het huis zaten zwarte bakelieten stopcontacten en de lichtschakelaars hadden draaiknoppen. Dat er in de vijftiger jaren nog niet zo veel elektrische apparaten werden gebruikt bleek wel uit het feit dat er in de keuken zegge en schrijve één geaard stopcontact zat. In de overige kamers werd veelvuldig gebruik gemaakt van de nu verboden driewegstekkers.

 


 

In augustus 1967 werd ons gezin op een bijzondere manier uitgebreid: we kregen een schippersdochter in huis, Alyde Touwen, die ruim twee en een half jaar bij ons heeft ingewoond. Haar ouders hadden een binnenvaartschip (als ik het mij goed herinner heette de boot Linquenda) en daar ben ik een keer op geweest. Tot begin 1970 heeft Alyde bij ons gewoond, toen hebben haar ouders het varende bestaan vaarwel gezegd en zijn ze op de vaste wal gaan wonen.

In juli 1968 is mijn (half)broer Paul geboren, hij kreeg het kleinste slaapkamertje dat daarvoor als eetkamer werd gebruikt.

 


 

BEZOEK AAN MIJN OUDERLIJKE HUIS IN 2019

 

Op 30 mei 2019 heb ik een bijzonder stukje jeugdnostalgie beleefd: voor het eerst in meer dan 20 jaar ben ik in mijn ouderlijke huis in de Wagenbergstraat geweest! Het huis stond toen leeg en een week later begon de renovatie van de flat dus dit was echt de allerlaatste mogelijkheid om het huis nog in de originele staat te zien.

 

Jaren geleden (toen er nog sprake van was dat de flat afgebroken zou worden) heb ik Woonstad Rotterdam gevraagd of ik vóór de sloop nog één keer in mijn ouderlijke huis mocht kijken (foto links: het huis linksboven). Dat was geen probleem maar ik moest natuurlijk wel wachten tot het huis leeg was. De sloopplannen werden uitgesteld en in 2017 besloot Woonstad Rotterdam om de flat toch niet af te breken maar te renoveren. In 2018 begon het uitverhuizen van de bewoners en de leeggekomen woningen werden als antikraak tijdelijk verhuurd, ook met mijn ouderlijke huis was dat het geval. Al met al werd mijn geduld flink op de proef gesteld maar het werd uiteindelijk toch beloond.

Op dinsdag 28 mei 2019 kreeg ik een mail van Woonstad dat het huis was leeggekomen en dat begin volgende week de flat overgedragen wordt aan de aannemer die de renovatie gaat uitvoeren, ik had dus maar een paar dagen de tijd. Een geluk was dat ik vanwege hemelvaart twee dagen vrij was en vanuit mijn werk ging ik diezelfde dag langs bij het Woonstadkantoor om de envelop met de sleutels op te halen die ik vrijdag weer in moest leveren (foto rechts).

 


 

Op 30 mei rond half 10 verlaat ik mijn huis en ga ik op weg naar de Wagenbergstraat. Al lopend probeerde ik een beeld te krijgen wat ik zou aantreffen, de indeling van het huis ken ik nog heel goed maar wat zou er nog van vroeger in zitten? Het was stil op straat want het was Hemelvaartsdag. Toen ik in de Sliedrechtstraat ter hoogte van de Zuiderkroon liep gebeurde er iets bijzonders: de Bavo-klokken begonnen te luiden! Ik keek automatisch op mijn horloge en het was 09.40 uur, het tijdstip dat normaal op zondag de klokken luiden. Meteen wist ik waarom maar het was natuurlijk puur toeval dat ik net buiten was, het klokgelui gaf wel een extra tintje aan mijn komende nostalgische bezoek.

 

Ik loop de Wagenbergstraat in en ondanks Hemelvaartsdag werd er bij de renovatieflat aan de overkant gewoon gewerkt. Eindelijk sta ik voor de portiekdeur van Wagenbergstraat 109-119 en ik haal de sleutelbos tevoorschijn waar zes sleutels aan zitten. Een beetje zenuwachtig begin ik de sleutels te passen en de derde sleutel was de juiste. Het trappenhuis heb ik vorig jaar juli nog bezocht toen de portiekdeur toevallig open stond maar vandaag kan ik voor het eerst na 23 jaar ook het huis zelf van binnen zien.

De aanblik achter de portiekdeur was rommelig: twee brievenbussen stonden open en op de grond lag reclame en ongeopende post. Uit een huis hoorde ik muziek dus kennelijk was één van de huizen nog als antikraak bewoond. Op de muur hing nog het affiche van Woonstad Rotterdam met de tekst We houden 't netjes met elkaar! en daarnaast de huisregels van Ad Hoc Beheer, de instantie die de woningen als antikraak verhuurt. Eén van de huisregels luidt dat er geen drugs mogen worden gebruikt, verhandeld, geteeld of aanwezig zijn in het pand.

 

Ik ga eerst in de kelder kijken, via de vrij steile keldertrap met 9 treden (foto links, de ooit door een buurman aangelegde fietsgoot zit er nog steeds) loop ik naar beneden. De muren zijn wit en het onderste deel is grijs. De oorspronkelijke kelderdeuren zijn tijdens de opknapbeurt vernieuwd, de vroegere grijze paneeldeuren met een eenvoudig slot (dat was nog uit de tijd dat inbraken niet aan de orde van de dag waren) zijn vervangen door dikkere deuren die groen zijn. Wij hadden als enige op de trap twee kelders, al waren ze wel klein. De gemeenschappelijke kelderruimte is helemaal leeg, in onze tijd stonden er fietsen hoewel dat officieel niet mocht. Mijn fiets stond altijd op een vaste plek, rechts achteraan bij het raam (foto rechts).

De kelders werden in het begin verlicht met gloeilampen (later TL-buisjes van 8 Watt) maar nu is er dynamische led-verlichting zoals op het Havenspoorpad: de lampen branden zwak maar zodra iemand de kelder in loopt gaan ze feller branden.

 

Wij hadden dus twee kleine kelders, de linker kelder fungeerde als berging en de rechter kelder was waar mijn vader een werkbank had gemaakt om te klussen. De linker kelder kon ik niet in (geen enkele sleutel paste) maar de rechter kelder wel. Het was binnen donker want het kelderraampje was met een plaat dicht gemaakt maar tot mijn verbazing zit de werkbank er nog in. Bovenop de werkbank ligt een houten plaat met mooie tegels er op die zonder twijfel uit ons huis afkomstig moet zijn, ik herkende het als het blad van een lage tafel die we in de woonkamer hadden waar de televisie op stond. Het eenvoudige metalen lampenkapje hangt er ook nog (compleet met gloeilamp) en zelfs de zwarte draaischakelaar is nooit vervangen.

 

Terwijl ik in de kelder was hoorde ik dat de muziek in het huis boven mij opeens stopte en er een voordeur werd dichtgetrokken, de bewoner liep naar beneden en even later sloeg de portiekdeur met een klap dicht. Vanaf dat moment was het op de hele trap doodstil.

 

Na het bezoek aan de kelder loop ik naar boven en komen in mijn herinnering de namen op van de gezinnen die na onze intrek bij ons op de trap woonden: Stolk op 109, de Wit op 111, Martens op 113, de Jong op 115 en Schaap op 117. Het trappenhuis is nog hetzelfde als toen ik er een jaar geleden was, de traptreden zijn van ruwe steen en de ijzeren zigzagleuningen zijn paars (vroeger grijs). De voordeuren en de deuren van de meterkast zijn donkergroen, vroeger waren de voordeuren houtkleurig en de meterkastdeuren lichtgroen (in het begin grijs).

 

Na vijf trappen met in totaal 38 treden (gerekend vanaf de portiekingang) sta ik helemaal boven, voor de deur van ons vroegere huis op nummer 119. Naast de voordeur is de meterkast, de deur was afgesloten maar geen van de sleutels paste. Het raampje in de voordeur is dichtgemaakt, alleen de bakelieten deurknop is nog origineel. Helaas zijn bij de opknapbeurt de originele emaille nummerbordjes verdwenen maar ik heb een gelijksoortig exemplaar uit één van de Groosmanflats.

 

Opnieuw haal ik de sleutelbos uit mijn jaszak en dit keer was de tweede sleutel de goede. Ik draai de deur van het slot en het openen van de deur was best een spannend moment, dan stap ik het huis binnen. Mijn eerste reactie toen ik in het halletje stond was "wat is het klein, hebben wij hier met zijn vieren gewoond?" Een beetje verbaasd kijk ik om mij heen, alle deuren zijn blauw en de schrootjes aan de muren en het plafond zijn wit geverfd. Mijn vader had in het plafond zes spotjes gemaakt, die zijn er niet meer en de gaten zijn afgedicht met een plaatje (foto rechts). Uiteraard is in het huis de elektriciteit afgesloten, alleen de bel en de deurdrukker doen het nog.

Links van de voordeur was een ingebouwde kast, later heeft mijn vader de deur er uitgehaald en er een garderobe van gemaakt met erboven een kastje. Tegenover de keukendeur was een hoekje in de gang en ook daar kwam een kast, toen ik de deur opende zat op de muur nog het originele bruine behang toen wij er in 1964 kwamen wonen. Op de vloer in de hal lagen nog de originele zwarte linoleumtegels.

 

Als eerste ga ik de keuken in, de ruimte is het beste te omschrijven als een pijpenla. Links om de hoek stond de koelkast met daar bovenop het gasstel. Boven het gasstel kwam later een afzuigkap met daarboven een bergkast met houten deurtjes. Verderop was het aanrecht, daarboven twee keukenkastjes met daartussen de geiser die behalve de keuken ook de badcel van warm water voorzag. Waar ooit de geiser hing zat alleen nog een afgedopte gasleiding en aan de muren kon ik zien dat er later een boiler heeft gehangen. Mijn vader heeft in de loop der jaren heel veel aan het huis opgeknapt maar in de keuken was daar niets meer van terug te vinden.

Het originele aanrecht (van roestvrij staal, wat in die tijd luxe was) en de Bruynzeel keukenkastjes zijn er niet meer, er staat nu een eenvoudig aanrechtblok in. Goed herkenbaar was de keukendeur: afgezien van de blauwe kleur is alles nog origineel, inclusief de zwarte deurkruk (alle deurkrukken zijn in onze tijd vervangen door witte maar waarschijnlijk omdat de keukendeur bijna altijd open stond is dat bij die deur nooit gebeurd).

 

De volgende ruimte is het toilet. Ik had de hoop om de originele stortbak (waarvan het geluid nog steeds in mijn geheugen zit) aan te treffen maar dat was niet het geval, ook de pot is vernieuwd. De oorspronkelijke gele tegels zijn vervangen door witte, nieuw is ook de watermeter. De wc is maar klein, je zat nog net niet met je knieën tegen de deur. De deur van de wc (en ook van de badcel) had een matglazen raampje maar geen slot, als je door het raampje het licht zag branden wist je dat de wc bezet was. Al snel hebben we een haakje op de deur gemaakt en nog later een vrij/bezetsluiting, die zat er nu nog in.

 

De badcel is ook totaal veranderd maar de deur vanuit de gang klemt nog steeds! Het lavet is vervangen door een piepkleine douche en een wastafel, ook de originele gele tegels zijn er niet meer. De badcel had twee deuren, vanuit de gang en vanuit de ouderslaapkamer, waardoor je een rondje door het huis kon lopen. Na enkele jaren kwam er een wasmachine te staan en was de deur naar de slaapkamer (te zien op de foto rechts, de enige niet-blauwe deur in het hele huis) niet meer te gebruiken, vóór het lavet bleef toen een staruimte van amper een vierkante meter over. In de badcel zit nu een radiator, in onze tijd hadden we er alleen maar een straalkachel.

 

Dan ga ik naar de grootste ruimte in het huis, de doorgebroken woonkamer. Na de kleine wc en badcel was het een verademing om hier te staan, door het grote raam is de kamer ook heel licht. De prachtige eikenhouten schuifdeur met mooi geslepen ruitjes zit er nog steeds in! De muur naast de woonkamerdeur had mijn vader voorzien van steenstrips maar daar zit nu behang op met afbeeldingen van Amerikaanse nummerborden. Toen ik met mijn hand over het behang streek voelde ik dat de achterwand niet vlak was waardoor ik vermoedde dat de steenstrips er nog gewoon onder zitten. In een hoek zat het behang wat los en toen ik een stukje wegtrok werd mijn vermoeden bevestigd.

Er zijn nog meer restanten van mijn vaders werklust: de vensterbank met kleine gele plavuisjes en de schouw boven de kachel. De binnenkant van de schouw was betegeld met mooie gele tegels met een motief, latere bewoners hebben er spiegeltegels overheen geplakt maar bovenaan kan je de oorspronkelijke tegels nog zien. De moederhaard is niet uit onze tijd, toen wij het huis verlieten moesten we de hele (zelf aangelegde) cv-installatie er uit halen. Links van de schouw was een kast met daarin de pomp en het expansievat van de centrale verwarming. Rechts van de schouw was een lage tafel (= het blad dat nu in de kelder op de werkbank ligt) waarop de televisie stond.

 

Het achterste deel van de kamer was oorspronkelijk de ouderslaapkamer, door een glazen wand met een deur afgescheiden van de woonkamer. Al vrij snel hebben we die wand weggehaald zodat de woonkamer een stuk groter werd. In het achterste deel waren aan één kant houten schroten die de schilderwoede van de latere bewoners hebben overleefd, de wand ziet er nog net zo mooi uit als toen wij er nog woonden. Langs deze wand stond de eettafel.

 

Aan de achterkant was het balkon en natuurlijk ben ik daar nog even op geweest. Het balkon is maar heel smal en in één van de zijmuren zit een hoge nis, ik weet absoluut niet waar dat voor diende. We hebben destijds een zonnescherm gekocht en dat zit er ook nog, al is het helemaal kapot. Bij de komende renovatie wordt het balkon bij de achterkamer getrokken en komt er een nieuw balkon dat buiten de gevel uitsteekt.

 

Ik loop de gang weer in en ga naar mijn vroegere slaapkamer, dat was de kamer die achter het trappenhuis ligt. De muren en het plafond zijn blauw geverfd en afgezien van de vaste kast in de hoek staat er niets meer in. De kastdeur was (zoals alle andere deuren in het huis) blauw maar toen ik de deur opende zag ik dat de binnenkant van de deur nog geel was. Toen wij er woonden hebben we er een tweede kast tegenaan gebouwd maar die is er niet meer, al kan je het op de vloer nog wel zien.

Het was een vreemde gewaarwording om in de kamer te staan waar ik in mijn kindertijd heb geslapen. Het bed stond langs de muur aan de kant van de kast (foto links), daar tegenover was een zelfgemaakte kast bestaande uit open vakken, een bureau en nog een dichte kast. De stilte is onwezenlijk, in gedachten hoor ik weer de treinen over de havenspoorlijn rijden... In 1977 heb ik vanuit het raam een foto gemaakt en dat heb ik nu, 42 jaar later, opnieuw gedaan.

 

Tot slot het kleinste slaapkamertje dat eerst een eetkamer was, daarna de slaapkamer van mijn jongere broer en vervolgens de slaapkamer van mijn ouders. Ook hier zijn alle muren en het plafond blauw maar afgezien van de (overgeschilderde) schrootjeswand aan één kant zijn er geen herinneringen van vroeger te vinden. Toen het de ouderslaapkamer werd heeft mijn vader het kamertje opgeknapt, een bijzonderheid was dat ook het plafond was behangen.

 

Ik ben ongeveer een uur binnen geweest en ik heb 150 foto's gemaakt, nog één keer loop ik een snel rondje door het huis en dan ga ik weg. Ik trek de voordeur achter mij dicht, draai hem weer op slot en loop de trappen af waar zo veel voetstappen van mij staan. Dan open ik de portiekdeur en ik sta weer buiten.

 


 

NAAR SCHOOL

 

Al snel nadat we onze intrek in Pendrecht hadden genomen ging ik naar school. Van 1964 tot 1966 zat ik op kleuterschool De Regenboog aan de Tiengemetenhof 2 waar juffrouw Dijkstra het hoofd was. Achter de school, aan de kant van de Open Hofkerk, was het speelplein met een schuurtje.

 

Van mijn tijd op De Regenboog kan ik niet veel meer herinneren. Het houten gebouwtje, op de hoek van de Middelharnisstraat, heeft er nog lang gestaan. Na de opheffing van de kleuterschool was de bibliotheek hier gehuisvest, pas in 2000 is het gesloopt. Op de plek van het speelplein staat nu de 17 verdiepingen tellende Tiengemetenflat.

 


 

Op 23 augustus 1966 ging ik voor het eerst naar de lagere school en dat was de gereformeerde Beatrixschool aan de Krabbendijkestraat met de heer van Veelen als Hoofd der School. Later werd J. Tijseling het hoofd. De volgende leerkrachten heb ik gehad: mw. Schotanus (klas 1), Wil de Jong (klas 2/3), mw. van Dijk en dhr. Tijseling (klas 4), dhr. den Ouden en Joop Verschoor (klas 5) en A. v.d. Sluijs (klas 6). Als jongen heb ik er nooit les van gehad maar ik noem toch de naam van juffrouw Wilschut voor het vak nuttige handwerken. Lichamelijke oefening was in de gymnastiekzaal naast de school, een deel van de vierde klas heb ik doorgebracht in de noodlokalen aan de Middelharnishof (nu staat hier Korpersteijn). De foto links is nog uit de begintijd van de school, de vier platanen die het schoolgebouw nu bijna geheel aan het gezicht onttrekken waren toen nog heel klein.

Omdat ik de tweede klas had overgeslagen duurde mijn tijd op de Beatrixschool maar 5 jaar. De schooltijd werd traditiegetrouw afgesloten met een musical waarop maandenlang was geoefend. De musical ging over Parijs en het eerste liedje begon met "Adieu Parijs met je Seine". Op 22 juni 1971 was mijn officiële afscheid van de Beatrixschool, als aandenken kreeg je een zakbijbel. Enkele klasgenoten gingen naar de Beatrix MAVO maar ik ging naar het Johannes Calvijn Lyceum in Vreewijk.

 

Het naar binnen gaan verliep volgens een vast patroon. Als de zoemer ging, ging iedereen in de rij staan (iedere klas had een vaste plek op het schoolplein) en dan ging het per klas naar binnen. Dat ging altijd in twee rijen, liep het niet naar wens dan ging de hele klas weer naar buiten en begon het ritueel opnieuw. De lagere klassen zaten beneden terwijl de hogere klassen op de bovenverdieping zaten. In het midden van de school was een hal met een podium, hier werden o.a. films gedraaid en het podium was (net als de schooltuin) de geijkte plek voor klassefoto's.

De maandag was altijd betaaldag: dan nam je geld mee voor de schoolmelk, de spaarzegels en de zending. De schoolmelk zat eerst in flesjes en later in piramidevormige kartonnen pakjes. De spaarzegels waren van de Spaarbank te Rotterdam (later Verenigde Spaarbank, nu ABN AMRO), als je een kaart vol had ging je er mee naar de Spaarbank (op Plein 1953) en dan werd het bedrag op je spaarboekje bijgeschreven. In het voormalige spaarbankkantoor op het Plein zit nu een tandprothetische praktijk maar de buitenkant is nog nauwelijks veranderd.

 

Een minder leuke herinnering was de schooltandarts. Het was altijd weer schrikken als het beruchte witte busje van de Stichting Schooltandverzorging naast de gymzaal geparkeerd stond. Dan verscheen de assistente in de klas en werd je met enkele klasgenoten "uitgenodigd" om naar de bus te komen. Je ging altijd in een groepje want, zo was de gedachte, dan overwin je de angst voor de tandarts. Bij de meesten heeft dat averechts gewerkt want terwijl jij op de achterbank zat te wachten lag één van je medeleerlingen te kermen in die stoel. Velen krijgen nog altijd de rillingen bij het horen van het woord schooltandarts. Na afloop van de behandeling kreeg je een briefje mee waarop stond wat de tandarts had gedaan. Verder was er jaarlijks het bezoek aan de schoolarts die was gevestigd in de Zuiderparkflat, het meest gevreesd was de vingerprik.

 

Tegenover de school, aan de overkant van de Sliedrechtstraat, was de Christus Triomfatorkerk. De Triomfatorkerk was, net als de Beatrixschool, gereformeerd en we kwamen daar o.a. met kerst. Meestal gingen we naar binnen door de zij-ingang in de Kloosterzandestraat.

Toen ik in de zesde klas zat, zaten we in het lokaal dat uitkeek op de straat. Op 7 juni 1971 konden we hierdoor getuige zijn van een bijzonder schouwspel: de sloop van de kerktoren van de Triomfatorkerk. De ijzeren toren was door een bouwfout finaal doorgeroest en moest verwijderd worden. De toren werd doormidden gezaagd en na enige tijd lagen de beide delen op het trottoir langs de Sliedrechtstraat. Het was iets bijzonders want ik herinner nog dat het in de krant stond (foto rechts).

 

Tijdens mijn schooltijd ben ik nog verkeersbrigadier ("klaar-over") geweest bij het zebrapad over de Slinge bij de Krabbendijkestraat. Gekleed in oranje jas zorgde je dat men veilig over kon steken, je stopte het verkeer door een stopbord omhoog te steken. Ik heb nog de oorkonde ter herinnering aan mijn werk als verkeersbrigadier.

Gedurende twee jaar had ik een schooltuin aan de Korperweg. Je kreeg een klein lapje grond en daar verbouwden we o.a. aardappelen en wortelen. Na afloop kreeg je een diploma van de Rotterdamse Stichting voor de Lichamelijke Opvoeding. Nauwelijks voorstelbaar: op de plek waar ik destijds mijn tuintje had is nu een terrein van de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij).

 

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de school was er op 19 november 2005 een reünie. Daar heb ik nog enkele klasgenoten teruggezien (o.a. Annette Lissenberg, Ruud van Splunter en Peter Elzinga) en zelfs meester Tijseling was, ondanks zijn hoge leeftijd, speciaal vanuit Friesland naar Pendrecht gekomen. Joop Verschoor was toen de directeur, op 31 januari 2012 was zijn laatste werkdag op de Beatrixschool.

 


 

WINKELS

 

Voor de dagelijkse boodschappen hoefden we niet ver: aan de Sliedrechtstraat waren de buurtwinkels. Ik kan zo de meeste winkels van toen nog opnoemen want als kind kwam ik hier regelmatig, al dan niet met een door mijn moeder geschreven boodschappenbriefje op zak. Vooral sigarenmagazijn Theo van Aalst, kruidenier Piet van den Bosch, groenteboer Rob Koster, bakker Maaskant, slagerij Bos en drogisterij Hartendorp (later Beemsterboer) en herenkapper Zoeteweij kan ik nog heel goed voor de geest halen. Veel winkeliers gaven spaarzegels zoals KES ("Koop En Spaar"), Animo en Hefbrug.

In de twee blokken tussen de Wagenbergstraat en Geertruidenbergstraat, afgebeeld op de foto, zaten destijds: Luxaflex (nr. 22), sigarenmagazijn Theo van Aalst (nr. 24), levensmiddelen Piet van den Bosch (nr. 26, na 1975 snackbar de Paddestoel die zelfs buiten Pendrecht bekend was), groenteboer Rob Koster (nr. 28), bloemist Hilberding (nr. 30, later poelier Henk van Wijnbergen), bakker J. Maaskant (nr. 32), dameskapper A. Boender (nr. 34, tot april 2010 heeft hier een kapsalon gezeten), levensmiddelen van W.J. de Melker (nr. 36), slager Henny Bos (nr. 38) en drogist Hartendorp (nr. 40, later J.J.E. Beemsterboer).

 

Vooral aan de sigarenboer op nummer 24 (op de foto de tweede winkel van links) heb ik veel herinneringen. Ontelbare malen kwam ik in de winkel van Theo van Aalst om voor mijn vader een pakje Drum shag met Rizla vloeitjes te halen. Dan kon toen nog ongestraft; tegenwoordig is er een minimumleeftijd om tabaksproducten te mogen kopen. Als je de winkeldeur opende ging er een belletje, binnen hing altijd die typische tabaksgeur. Vaak was het druk want er werd toen aanzienlijk meer gerookt dan nu. Op de toonbank stond een houten tonnetje met dropjes (in de vorm van een beertje) en als kind mocht je er daar eentje uithalen als je je boodschap had gedaan. De winkel had iets huiselijks omdat er vloerbedekking lag. Behalve shag kocht ik er rittenkaarten voor de bus (een 6-rittenkaart voor kinderen kostte toen een gulden). Links in de hoek van de winkel stond een ladekastje waarin de RET-kaarten waren opgeborgen. Aan de buitenkant van de winkel zaten ongeveer 6 automaten dus ook na sluitingstijd kon de nicotineverslaving worden bevredigd. De automaten accepteerden alleen guldens en kwartjes, het eventuele wisselgeld was met een plakbandje op de verpakking geplakt (er was ook een automaat die wisselgeld terug gaf).

Rechts naast de sigarenwinkel had Piet van den Bosch een kruidenierswinkel (in 1961 overgenomen van Frans Nootenboom) die hij in 1975 veranderde in snackbar de Paddestoel. Nog een winkel verder was de groentezaak van Rob Koster, een lange man met een bril. Achter in de winkel stonden groene machines om groente te snijden en aardappels te schillen.

 

Tussen de Geertruidenbergstraat en de Dinteloordstraat zijn nog twee winkelblokken. Daar zaten toen de boekhandel van W. Baard (nr. 46), juwelier S. Slotboom (nr. 48), Pendrechts Textielhuis (nr. 50), Radio Groen (nr. 52), groenteboer A.P. van Gelder (nr. 54), herenkapper C.K. Zoeteweij (nr. 56), levensmiddelen van D. Kapteyn (nr. 58), slager L. van Markensteijn (nr. 60), sigarenhandel van M. Kats (nr. 62) en de Polikliniek Pendrecht (nr. 64).

 

Door de supermarkten kregen de winkeliers aan de Sliedrechtstraat het steeds moeilijker en geleidelijk verdwenen de vertrouwde zaken. De sigarenwinkel van Theo van Aalst, geopend op 6 juni 1958 en sindsdien enkele malen van eigenaar veranderd, heeft het uiteindelijk nog tot december 2006 uitgehouden. Zelfs daarna vonden er nog verslavende activiteiten plaats want in juni 2007 werd in het pand een hennepkwekerij aangetroffen. Snackbar de Paddestoel ging in april 2008 dicht nadat Piet van den Bosch de zaak in 1998 had verkocht. In november 2007 is bekend gemaakt dat de winkelpanden in de Sliedrechtstraat op termijn zullen worden gesloopt. In november 2010 zijn de blokken ter weerszijden van de Middelharnisstraat afgebroken en de rest volgde in januari 2011, daarmee is een jeugdherinnering voorgoed verdwenen.

 


 

De supermarkt van Albert Heijn was er al toen wij in Pendrecht kwamen wonen. Als kind ging ik vaak met mijn moeder mee, kennelijk heeft dat indruk gemaakt want tot op de dag van vandaag doe ik mijn boodschappen bij het Pendrechtse filiaal van de Zaandamse grootgrutter. Eerst zat de op 15 oktober 1963 geopende winkel nog aan de Slinge 690 maar op 12 december 1995 is de ingang verplaatst naar Krabbendijkestraat 10, de foto hiernaast is uit die tijd. De winkel is al heel wat keren verbouwd. In het begin was het een lange smalle winkel, helemaal achterin was een doorgeefluik met een bel waar je je lege flessen kon inleveren. Ook herinner ik nog de automaat waar je je koffiebonen kon malen.

 

Albert Heijn is de enige supermarkt van toen die nog bestaat. Verdwenen zijn de Coop (de Coöperatie), S&S en Van Gilst-Visser, alle drie aan de Slinge, en De Gruyter op Plein 1953. Later kwamen de Edah en de Aldi, de Edah is in juni 2007 omgebouwd tot Plus supermarkt die in januari 2014 plaats maakte voor een filiaal van Dirk van den Broek. Gedurende korte tijd was er op Plein 1953 een goedkope supermarkt die Radar heette, een soort voorloper van de Aldi.

 

Een aparte "winkel" was het PTT postkantoor (Slinge 564, op de hoek van de Baarlandhof) dat is geopend op 1 maart 1960. Het is in de loop der jaren al verschillende keren verbouwd en de laatste inrichting lijkt in de verste verte niet op hoe het er zo'n 40 jaar geleden uitzag. Als kind kan ik het postkantoor van vroeger goed herinneren: je kwam aan de linkerkant binnen door een draaideur (die in mijn beleving heel zwaar ging) en dan kwam je in een grote lege hal. Aan de rechterkant waren de loketten; eerst waren het open balies, later zijn ze met pantserglas dichtgemaakt (als beveiliging tegen overvallen) en nog later zijn de open balies in ere hersteld want dat was klantvriendelijker. Helemaal achterin was een afsluitbare ruimte met een telefoon waar je internationaal kon bellen, na afloop betaalde je de gesprekskosten aan een loket.

Aan de buitenkant was een stukje muur en daar zaten behalve de brievenbus ook enkele postzegelautomaten. In het begin kon je losse postzegels kopen, later alleen boekjes. De briefkaartautomaat (op de foto in het midden) was bijzonder: na geldinworp draaide je een slinger tweemaal rond, er klonk een belletje en de briefkaart lag in het bakje. De brievenbus is later verplaatst naar de straat, naast de telefooncel.

TNT Post heeft begin maart 2008 bekend gemaakt dat het bedrijf haar zelfstandige postkantoren gaat sluiten. Het Pendrechtse postkantoor was op 19 november 2009 voor het laatst open en is daarna omgebouwd tot ING-kantoor dat op 2 februari 2010 de deuren opende, voor postzaken kan men o.a. terecht bij Primera (Slinge 582). Met de opkomst van mobiele telefonie en e-mail verdwenen in de 21e eeuw de telefooncellen en de meeste brievenbussen uit het straatbeeld.

 

Al eerder noemde ik de Spaarbank op Plein 1953 waar ik regelmatig kwam, nu zit in het hoekpand een tandprothetisch laboratorium maar de buitenkant is in al die jaren nauwelijks veranderd. De Spaarbank had in elke wijk een filiaal en bijzonder was dat ze er aan de buitenkant ongeveer hetzelfde uitzagen met smalle hoge ramen en daartussen grijze marmeren platen, de rest van de gevel was zwart. Veel vroegere Spaarbankkantoren zijn daardoor nog tot op de dag van vandaag goed herkenbaar, dat geldt eveneens voor het voormalige Pendrechtse filiaal. Het enige wat verdwenen is, is de tekst SPAARBANK op de blinde gevel van de verdieping erboven.

De ingang was een metalen deur met tussen twee spijlen een spaarvarken, dat varken is al lang weg maar die spijlen zitten er nog steeds. Tijdens de openingsuren van de bank stond de deur altijd open, je kwam dan in een klein halletje met rechts een klapdeur naar de lokettenruimte. De spaarbankboekjes waren groen en ik herinner nog de grote machine waar het boekje in ging en met veel geratel de bijgeschreven of opgenomen bedragen werden afgedrukt. Eén keer per jaar werd de rente bijgeschreven (dat was nog de tijd dat je rente kreeg op een spaarrekening...) en als kind snapte ik niet waar dat extra geld vandaan kwam. Ik heb ook nog meegedaan met de Zilvervloot, je moest daarvoor per jaar een minimum bedrag sparen en aan het einde van de periode keerde de overheid 10% rente uit.

 


 

PLEIN 1953

 

Het hart van de wijk was (en is) Plein 1953, iedere Pendrechtenaar kwam er. Op de 3 kiosken na staan alle winkelpanden er nog maar het plein zag er vroeger heel anders uit. Het gezelligste stuk vond ik het deel aan de kant van de Slinge dat hiernaast is afgebeeld. Aan de Slingekant was een parkeerplaats en een muurtje vormde de afscheiding met het plein. Om een of andere reden lag het plein lager dan de rest van Pendrecht want je ging een paar treden naar beneden (linksonder op de foto is dat nog net te zien). Er waren enkele plantsoentjes, in één daarvan stond het beeld Provinciaaltjes. Vlakbij dit plantsoen waren de drie winkelkiosken, in de middelste kiosk (rechts op de foto gedeeltelijk zichtbaar) was vele jaren de boekenwinkel van J.C. van der Wel gevestigd.

Het westelijke deel van het plein was vrij open, met enkele rozenperken en een ijzeren hek langs het water. Later kwamen hier vlonders en pergola's, reden dat dit deel van Plein 1953 de vlonderlocatie werd genoemd. Hier staan nu de stadsvilla's.

Aan de andere kant, voor de Karel de Stouteflat, was een rolschaatsbaan, later zijn er parkeerplaatsen gekomen en nu staat hier de nieuwe Middelburgt die inmiddels een andere functie heeft.

 

Welke winkels zaten er toen op Plein 1953? Vanaf de Krabbendijkestraat waren dat o.a. Maison Roda (damesmode), W. van Leer (verlichting), Visser's Speelgoedpaleis en J. Rijnders (dierenwinkel). Daarna linksaf richting Slinge: D. Poppeliers (verf en behang), W.P. de Zeeuw (schoenen, later gevestigd aan de Slinge en op 24 december 2010 voor het laatst open), apotheek Paulssen-Smeets (nu Apotheek Pendrecht en gevestigd in de Zuiderkroon) en Roobol (woninginrichting). Aan de kant van de Baarlandhof: de Gruyter (supermarkt), Holba (groenten en fruit, later Baas), Visser's Warenhuis, Oporto (slijterij, later Aquilar), Bos (drogist) en een filiaal van de Spaarbank Rotterdam (op de hoek). Als je hier linksaf ging kwam je nog o.a. langs bakkerij Timmers, B. Philipsen (rijwielen en brommers), dameskapper Modern en Apotheek Roodzant. Verder waren er nog drie kiosken waar toen resp. Boluja (bloemen en planten), boekhandel J.C. van der Wel en een filiaal van de Hollandse Bank Unie waren gevestigd.

In één van mijn fotoalbums (klik op de afbeelding onderaan de pagina) staan vele oude advertenties van Pendrechtse winkeliers.

 


 

OP REIS

 

Mijn vader was machinist bij de NS en alle gezinsleden hadden vrij vervoer met de trein. Ik hoef niet te vertellen dat ik in mijn kinderjaren heel wat met de trein heb afgereisd! In het prille begin natuurlijk nog samen met mijn ouders (vaak naar Almelo voor familiebezoek) maar al snel reisde ik in mijn eentje heel Nederland door. Toen ik in 1976 mijn eerste baan kreeg moest ik de kaart inleveren, uiteraard tot mijn grote verdriet. Nog altijd reis ik graag per trein al is er bij het spoor erg veel veranderd. De tijd van de hondekop en de kartonnen spoorkaartjes is voorgoed voorbij en ook het karakteristieke Rotterdamse centraal station met zijn gebogen voorgevel (1957, ontworpen door Sybold van Ravesteyn) is er niet meer.

Ik heb nog de in- en uitgangscontrole op het station meegemaakt: aan het begin van de tunnel onder de perrons waren de controlehokjes. Als je iemand weg wilde brengen tot op het perron dan moest je een perronkaartje kopen. De in- en uitgangscontrole is sinds 2015 weer terug in de vorm van toegangspoortjes die je met een chipkaart moet openen.

 

In de nacht van zaterdag 1 op zondag 2 september 2007 is het oude stationsgebouw voorgoed gesloten en is in de eerste maanden van 2008 afgebroken. Gedurende vier jaar stond er aan de kant van het Groothandelsgebouw een tijdelijk stationsgebouw, het nieuwe station Rotterdam Centraal is eind 2012 in gebruik genomen. Als bescheiden eerbetoon aan een plek waar ik meer dan 40 jaar heel wat voetstappen heb gezet volgen hieronder wat foto's die ik een week voor de sluiting heb gemaakt.

 

 

Op de foto's, van links naar rechts: het middelste deel van de buitengevel (het kunstwerk met de tekst EXIT symboliseert het naderende einde), de hal (let op de bijzondere vorm van het plafond) met rechts achteraan de toegang naar de tunnel, de klok op de voorgevel (die is teruggekomen op de nieuwbouw), de tunnel naar de perrons (met links één van de kiosken) en de trappen naar één van de perrons. De letters met de tekst NAAR DE TREINEN zouden ook terug komen in het nieuwe station maar ik heb ze nog nergens kunnen ontdekken.

 


 

De reis vanaf ons huis naar het station (het huidige Rotterdam Centraal heette toen nog Rotterdam CS) was in het begin een hele onderneming. Eerst naar de Slinge lopen, dan met bus 58 naar het busstation aan de Rochussenstraat en vervolgens het laatste stukje met de tram. Toen reden de legendarische vierassers nog (ooit de modernste trams van Europa, enkele exemplaren rijden 's zomers op de toeristische tramlijn 10); de conducteur droeg een metalen geldwisselaar, beter bekend als buikorgel.

 

Toen op 10 februari 1968 de metrolijn Centraal Station - Zuidplein werd geopend volstond een ritje met bus 62, 63 of 66 naar het Zuidplein en daar stapten we over op de metro die je in slechts 10 minuten naar het centraal station bracht. Vanuit het ondergrondse metrostation liep je een gang door en via een trap kwam je direct in de grote stationshal.

Voor de metro waren aparte rittenkaarten want de stations waren voorzien van tourniquets. Je stak de kaart in de rode gleuf, met een tik werd de kaart gestempeld en geknipt, een groen lampje gaf aan dat je kon doorlopen. Na de invoering van het zonetarief verdwenen de tourniquets maar nu staan er toegangspoortjes en reis je met de OV-chipkaart.

Op 25 november 1970 werd metrostation Slinge in gebruik genomen en konden we (eindelijk) zonder overstappen naar het centraal station reizen. De blauwe treinstellen, met de grote gele M onder de voorruit, hebben ruim 30 jaar lang het gezicht van de Rotterdamse metro bepaald.

 

Tegelijk met station Slinge werd de grote parkeergarage langs de Ooltgensplaatweg geopend. Op het bovendek was een aparte ingang van het metrostation, via een luchtbrug over de Slinge kwam je op het perron. Meestal liepen we aan de kant van de Sliedrechtstraat de afrit op en wandelden dan via het bovendek naar de ingang van het station. Als het regende kon je ook door de garage lopen, aan het eind waren twee trappen naar het bovendek.

 


 

KRANTENWIJK

 

In de zeventiger jaren heb ik enkele jaren de huis aan huis krant Groot Charlois (nu De Havenloods) rondgebracht. Ik had een vrij grote wijk met ruim 800 kranten, begrensd door Ooltgensplaatweg, Sliedrechtstraat, Krabbendijkestraat en Slinge. Dat ik vele jaren later redacteur van een krant zou worden kon ik toen nog niet vermoeden.

 

Ik begon altijd in de Karel de Stouteflat want dan was je in korte tijd al 110 kranten kwijt. Plein 1953 en de hofjes daarachter waren tijdrovend maar ik had een zo efficiënt mogelijke route uitgestippeld. Daarna waren de Halsterenstraat en de Papendrechtstraat aan de beurt, voor een krantenbezorger waren dit de vervelendste straten. De eengezinswoningen waren al tijdrovend maar de tweelaags galerijflats (foto) waren helemaal een ramp: eerst beneden 4 kranten, dan het trappenhuis in en de lange trap op, 4 kranten aan de ene kant, teruglopen, dan 4 kranten aan de andere kant, teruglopen, trap af, naar buiten en dan aan de andere krant 4 kranten. Het waren nogal bijzondere brievenbussen want je moest de krant er schuin omhoog ingooien. In totaal waren er 6 van die flats. Tegenwoordig hebben de krantenbezorgers het heel wat makkelijker (zie foto), sinds het afsluiten van de portieken zitten de brievenbussen voor de bovenwoningen nu aan weerszijden van de deur naar het trappenhuis.

Als laatste deel van mijn krantenwijk deed ik het deel tussen de Tiengemetensingel en de Slinge. Hier stonden voornamelijk flats wat de snelheid van de bezorging ten goede kwam, al moest je op de onderste woonlaag van de galerijflats de krant nog wel per deur bezorgen.

 

Het kostte behoorlijk wat tijd want ik moest regelmatig terug naar huis om de tas bij te vullen. Na afloop waren je handen roetzwart van de inkt. In de winter en bij harde regen was het geen lolletje maar het leverde mij wekelijks het formidabele bedrag van 16 gulden op. Aan het einde van de maand werd het loon per cheque uitbetaald.

 


 

RADIO VERONICA

 

Wie is er in de zestiger en zeventiger jaren niet mee opgegroeid: Radio Veronica, de piratenzender die uitzond vanaf het schip de Norderney. We hadden een Grundig radio (nog met middengolf) en als kleuter deed ik een interessante ontdekking. Helemaal aan het einde van de afstemschaal zat een zender die op zaterdagmiddag platen draaide die steeds met een nummer werden aangekondigd (van Top 40 en hitparade had ik natuurlijk nog nooit gehoord). Aan het eind van het programma hoorde je "nummer één, één, één!" en daarna kwam er een liedje dat ik leuk vond (In the summertime van Mungo Jerry). Zo maakte ik kennis met Radio Veronica. Al snel kreeg ik een transistorradio en kon ik op mijn eigen kamer naar Veronica luisteren. Toen mijn ouders een nieuwe radio kochten verhuisde de Grundig naar mijn kamer en die stond uiteraard ook afgestemd op 192 (later 538).

De Top 40 werd mijn favoriete programma, samen met Jukebox van Stan Haag. Iedere week ging ik naar de platenzaak van Van Alphen aan de Zijpe om een exemplaar van de Top 40 te halen. Officieel waren ze gratis maar men vroeg er een stuiver voor, om te voorkomen dat iedereen ze zo meenam (in het pand van de platenzaak zit nu een Chinees afhaalrestaurant).

 

Op 18 april 1973 was de grote manifestatie in Den Haag voor het behoud van Radio Veronica en als 13-jarige Veronica-fan ging ik er, met transistorradio, naar toe. Maar het was tevergeefs, de wet tegen de piratenzenders werd toch aangenomen en daarmee was het doodvonnis voor de populaire zeezender getekend. Op 31 augustus 1974 was het de laatste dag dat Radio Veronica in de lucht was. Kort voor zes uur sprak Rob Out, met een in tranen verstikte stem, de allerlaatste woorden vanaf de Norderney: "Het is tijd geworden om afscheid te nemen. Een verschrikkelijk gevoel. Een periode wordt afgesloten. Er sterft iets. Bij het afscheid nemen van Veronica sterft ook een beetje de democratie in Nederland. Dat spijt me... voor Nederland." Er volgen twee coupletten van het Wilhelmus en dan een jingle die om klokslag 6 uur abrupt wordt afgebroken.

 

Rond de eeuwwisseling ontdekte ik op internet dat het oude zendschip nog steeds bestaat. Tijdens een bezoek aan Antwerpen in 2002 heb ik het schip ook echt gezien; het ligt in het Kempisch Dok en is in gebruik als partyschip (foto links). Nauwelijks voorstelbaar: de naam "Veronica" staat er nog steeds op!

Eind november 2007 las ik in de krant dat een ondernemer het schip naar Rotterdam wil halen. Hij wil er een discoboot van maken en de beoogde ligplaats is de Wilhelminakade bij Hotel New York. Helaas is het bij plannen gebleven en bleef het Veronica-schip in Antwerpen.

 

In 2012 kwam de Norderney alsnog terug naar Nederland en na een grondige opknapbeurt ligt het schip sinds november 2013 bij het NDSM-terrein vlakbij het IJ in Amsterdam (foto rechts), aanvankelijk als multifunctioneel activiteitencentrum maar sinds mei 2018 als nachtclub en restaurant.

 


 

WAT "LOSSE" HERINNERINGEN

 

Pendrecht had gedurende 20 jaar een eigen zwembad dat ik heb zien bouwen èn afbreken. Zwembad Pendrecht werd in 1971 geopend en lag op de plaats van de oude Dorpslaan. Ik ben er niet veel binnen geweest maar ik kwam er vaak langs. Het was een lelijk on-Pendrechts gebouw met blauwe golfplaten maar de wijkbewoners waren er aan verknocht. Er was ook een buitenbad dat vooral 's zomers druk werd bezocht. Het buitenbad kon je bereiken via een achterdeur vanuit het binnenbad maar er was ook een aparte ingang aan het voetpad langs de Burghsluissingel.

Bezuinigingen leidde uiteindelijk tot de sluiting, ondanks een protestactie onder het motto "De stop mag er niet uit!" In 1992 ging de deur voorgoed dicht (het buitenbad was al eerder buiten gebruik gesteld) en pas twee jaar later is het gebouw gesloopt. Op de zwembadlocatie zijn in 1998 eengezinswoningen en patiobungalows gebouwd.

 

Onze benedenbuurman, Jan Schaap, werkte bij de toenmalige busmaatschappij Twee Provinciën en het gebeurde dan wel eens dat er zo'n blauwe TP-bus in de straat stond. Een andere straatbewoner, Jan van Breugel, werkte bij de meubelzaak van Bernard de Koning op de Beijerlandselaan en reed in een lichtblauwe Opel Blitz. Dat was een kleine vrachtauto en die stond altijd geparkeerd aan de Raamsdonkweg.

 

Op 8 september 1974 wilde ik 's avonds nog even naar buiten maar dat werd mij verboden, iets waar ik heel verbaasd over was. Maar al snel kwam de aap uit de mouw: de voorgaande nacht was er een meisje vermoord onder het metroviaduct in de buurt van station Slinge. De moordzaak Wil Vervat veroorzaakte heel veel beroering en kreeg landelijke bekendheid. De politie kwam onmiddellijk in actie want "iemand die in staat is om zomaar zonder reden een meisje te wurgen, moet zo snel mogelijk uit de circulatie worden gehaald" (woorden van de toenmalige hoofdcommissaris Jan Blaauw). Vier dagen na de moord werd er in Pendrecht en Zuidwijk een huis-aan-huis-onderzoek gehouden. Ook wij kregen twee rechercheurs op bezoek, ik herinner nog dat één van hen zo lang was dat hij bij de deur moest bukken. Op de foto rechts het affiche van de politie met daarop in grote letters het woord VERMOORD! en een foto van Wil Vervat waarin het publiek om informatie werd gevraagd.

Pas 14 jaar na het misdrijf is de moordenaar van Wil Vervat gevonden en veroordeeld. Ongeveer op de plaats waar de moord destijds plaatsvond staat nu de C2000 zendmast (foto links), na het misdrijf zijn de struiken vervangen door gras.

 

Toen we in Pendrecht kwamen wonen werd de vuilnis nog opgehaald in de bekende zinken vuilnisemmers. Eén keer in de week werd het vuil opgehaald en dan stonden de emmers keurig langs de stoeprand. In 1971 zijn de vuilnisemmers vervangen door de grijze Komozakken. Nog weer later kwamen de cocons resp. de ondergrondse containers die het voordeel hadden dat je op ieder moment van de dag je afval kwijt kon.

 

De oliecrisis van 1973 zal menigeen nog goed kunnen herinneren. De benzine was op de bon en er waren autoloze zondagen. In Rotterdam werd de straatverlichting gehalveerd: om en om werden de lantaarnpalen uitgeschakeld.

 

Als huisarts hadden wij J.J.H. Borghouts aan de Tiengemetensingel. Hij was één van de weinige Pendrechtenaren die twee huizen huurde: hij woonde op nummer 48 (het hoekhuis rechts op de foto) en de praktijk was op nummer 46. Via een smalle en krakende trap ging je naar boven en dan was aan de kant van de singel de piepkleine wachtkamer met houten banken tegen de muren, de spreekkamer was aan de achterkant. Dokter Borghouts was een wat stille bebaarde man en de assistente was zijn vrouw. Ik herinner nog de tekst van een affiche in de wachtkamer: Spreek niet over uw eigen of andermans kwalen maar probeer over prettige dingen van gedachten te wisselen. Dokter Borghouts is bijna 32 jaar huisarts in Pendrecht geweest, per 1 januari 1989 heeft hij de praktijk overgedragen aan Annemiek Dekkers die later naar de Sliedrechtstraat is verhuisd. De voormalige praktijk werd daarna weer verhuurd als woning, het blok is in juli 2020 afgebroken.

Een keer moest ik voor een herhalingsrecept naar de waarnemende arts, dokter Davidsz op het Biezelingeplein. Dat was een Indische arts en hij heeft mij letterlijk het hemd van mijn lijf gevraagd voordat ik, met een voor mij onleesbaar recept, de gang naar apotheek Paulssen-Smeets op Plein 1953 kon maken om mijn pillen op te halen.

Een andere bekende Pendrechtse huisarts was dokter Hefting, zijn voormalige villa aan de Sommelsdijkstraat heet nu Dokter Heftinghuis.

 

Nog vele jaren kwamen de bakker en de melkboer aan huis. De oranje elektrische Spijkstaal ijzeren hond van bakker Van der Meer & Schoep zie ik nog zó de straat inrijden, die karretjes maakten een zacht zoemend geluid. Als je de deur had opengedrukt klonk het sonore "De bakker!" door het trappenhuis. Onze melkboer aan huis was van de Melkunie waarvan de kar donkerblauw was. Alle zuivelproducten zaten toen nog in statiegeldflessen en aan de kleur van de capsule kon je zien wat er in zat: blauw was melk, rood was karnemelk, groen was yoghurt enzovoort.

Het was bij de bakker en de melkboer nog heel gewoon dat je op de pof kocht: het bedrag werd in een boek opgeschreven en eenmaal per week rekende je af. In de zomer kwam de ijsboer in de straat en dan was het in snel tempo naar boven om geld te halen voordat de beste man weer was verdwenen, de ijsboer reed op een bakfiets en kondigde zijn komst aan met een soort baliebel. De bakker en de melkboer zijn al lang uit het straatbeeld verdwenen maar het elektronische melodietje van de ijscoman is 's zomers nog altijd in Pendrecht te horen.

 

Al heel snel hadden we telefoon en ons nummer weet ik nog goed: 171690. Toen eind 1970 de nieuwe PTT telefooncentrale aan de Baarlandhof in gebruik werd genomen zijn veel Pendrechtse nummers gewijzigd.

We hadden in het begin nog zo'n zwart bakelieten toestel (uiteraard met draaischijf) en later kregen we het grijze standaardtoestel van de PTT, de T65 (foto). Tegenwoordig kun je het netnummer en het abonneenummer achter elkaar doorkiezen maar vroeger ging dat anders. Als je de hoorn opnam hoorde je eerst de lage kiestoon, na het kiezen van het netnummer moest je even wachten tot je de hoge kiestoon hoorde en dan pas kon je het abonneenummer draaien. Dan moest je opnieuw even geduld hebben totdat je de oproeptoon of bezettoon hoorde.

Zeker in de begintijd van Pendrecht had nog niet iedereen telefoon want dat was best duur, een aansluiting op het telefoonnet kon alleen via de PTT dat toen nog een staatsbedrijf was. Wie geen telefoon had en wilde bellen ging naar een telefooncel waarvan er ongeveer 10 in Pendrecht stonden, een lokaal gesprek vanuit een telefooncel kostte toen een dubbeltje. Wie kon in die tijd vermoeden dat ooit iedereen met een mobieltje op zak zou lopen?

 

Sommige straten lijken veel op elkaar en mijn vader heeft dat ervaren toen we nog maar net in Pendrecht woonden. Hij kwam 's avonds laat thuis uit zijn werk toen het al donker was en liep de straat in met het beeld van de vertrouwde flat. Bij het portiek aangekomen bleek tot zijn verbazing de sleutel niet te passen! Nog eens proberen, nee, hier klopt iets niet. Hij keek naar het nummerbord naast de deur en daar stond toch echt "109-119" op! Uiteindelijk besloot hij maar aan te bellen en hij zag tot zijn schrik op het naambordje een totaal andere naam staan! En toen had hij in de gaten wat er aan de hand was: hij stond in de Geertruidenbergstraat (die is qua bebouwing en huisnummering precies gelijk aan de Wagenbergstraat)...

 

Toen we pas in Pendrecht woonden was het Rotterdamse drinkwater ontzettend vies. We hadden een filter op het aanrecht staan en water voor koffie of thee werd eerst gefilterd en pas daarna gekookt. Regelmatig nam mijn vader uit Venlo (daar was het water beter) jerrycans met water mee.

Koffiezetapparaten waren nog onbekend: eerst water koken in de fluitketel en daarna opschenken: eerst een klein beetje water om te wellen en vervolgens het filter één of twee keer helemaal vol gieten.

 

In de zeventiger jaren hadden wij een aquarium. Deze hobby werd door veel mensen beoefend want er was zelfs een Aquariumvereniging Pendrecht. Ons aquarium stond in de woonkamer, direct naast de deur naar de hal. Boven het aquarium zat een bak met TL-buizen die via een schakelklok werden in- en uitgeschakeld. Regelmatig was mijn vader er mee bezig om de boel schoon te houden want alg was de grootste schrik van iedere aquariumbezitter.

Als visvoer herinner ik nog goed de gele busjes met bruin deksel van Tetra Min (vlokken) of tubifex (kleine rode wormpjes). Soms werd ik door mijn vader naar de winkel van Rijnders op Plein 1953 gestuurd om een zakje Tubifex te halen. De vissen waren ook gek op insecten, een elders in huis doodgeslagen mug werd in het aquarium gedeponeerd en was in een mum van tijd opgegeten.

Maar de leukste herinneringen zijn de uitstapjes om watervlooien te vangen. Samen met mijn vader togen we, voorzien van schepnet en een emmer, naar de Smitshoekseweg. Meestal liepen we via de Reef, het voetpad in Zuidwijk langs de toen nog bestaande havenspoorlijn, en dan de overweg over. Langs de Smitshoekseweg was aan beide kanten een sloot en per deel kon de hoeveelheid watervlooien sterk wisselen. Vaak kostte het dan ook enige tijd voordat we voldoende hadden gevangen en we weer naar huis terug konden lopen.